Bij het begin van een nieuw kunstseizoen
Views & Values, luidde de inleiding van onze catalogus Perspectives VII in september 2006. De rode draad erin vormde de turbulente ontwikkelingen op de markt – in het bijzonder – voor internationale hedendaagse kunst enerzijds en de rol die hierin wordt gespeeld door de grote veilinghuizen anderzijds.
Ik meen al langer een tendens waar te nemen, die niet langer de officiële kunstwereld, de musea of zelfs maar de kunstenaar centraal stelt, maar in belangrijke mate die positie toekent aan de grote veilinghuizen en in hun verlengde een aantal zeer grote verzamelaars. Het is een interessant fenomeen dat de plaats, welke een kunstenaar in de geschiedenis krijgt toebedeeld, niet meer lijkt te worden vergeven door die ‘officiële’ kunstwereld – musea, biënnales, salons etc. – maar tegenwoordig lijkt te worden gestuurd door ‘kapitaal’ en de kracht van ‘public relations’. Een sterk groeiende elite van zeer welgestelden, vaak voortkomend uit de ontluikende en snelgroeiende economieën van landen als Rusland, China en India, manifesteren zich zeer nadrukkelijk op de kunstmarkt. Deze elite observeert niet slechts de kunst maar evenzeer – en misschien wel vooral – elkaar. In de veilingzalen in New York en Londen doet men niet (graag) voor elkaar onder en niet gehinderd door schaarse middelen sneuvelt een ‘price record in record time’.
Privémusea schieten als paddenstoelen uit de grond in een poging onsterfelijkheid te waarborgen. Supersterren onder de kunstenaars hebben die status steeds minder te danken aan hun eigen en autonome persoonlijkheid, hun inventiviteit en artistieke prestaties, maar lijken die vooral toebedeeld te krijgen door een gestuurde marktwerking, waarin de hoogste prijs – ‘the record price for the artist’ – een belangrijker graadmeter voor kwaliteit en status vormt dan de intrinsieke kwaliteit van de kunstenaar en het werk.
In het internationale krachtenveld zullen de grote musea steeds meer moeite hebben de strijd aan te binden met deze ‘super’verzamelaars; het ontbreekt ze ten enenmale aan voldoende middelen. Voor de musea vergt het varen van een onafhankelijke koers daarbij grote concentratie, diplomatie en kennis om de balans tussen autonomie en afhankelijkheid in evenwicht te houden. Om daarbij tevens voldoende middelen te kunnen genereren vergt bijzondere stuurkracht van haar directies.
Het zou zeer waarschijnlijk leiden tot de mooiste en beste musea, indien de twee werelden – die van het ‘geld’ en invloedrijke verzamelaars enerzijds, de musea anderzijds – elkaar zouden willen (én mogen!) ontmoeten en hun krachten zouden concentreren. De MoMa in New York bewijst het gelijk van deze stelling en hoe groots zou ‘ons’ verbouwde en gemoderniseerde Stedelijk Museum weer kunnen worden wanneer beleid in die richting zou gaan.
Het is van eminent belang voor de positie van Nederland als (voorheen) vooraanstaand land op het terrein van de Kunsten – en daarmee voor de (internationale) positie van Nederlandse kunstenaars – wanneer de grote podia voor de Beeldende Kunst in alle opzichten in blakende gezondheid verkeren. In het verlengde daarvan – en daarmee terugkerend naar de eigen positie van galerie en kunsthandel – zou dit van wezenlijke invloed zijn op de promotie van Nederlandse kunstenaars in het buitenland, wellicht zelfs effectiever dan welke subsidie ook.
Amsterdam, augustus 2007
Paul J.van Rosmalen