In de Nederlandse kunstgeschiedenis van de tweede helft 20e eeuw, laten enkele stromingen zich werkelijk meten naar internationale maatstaven. Ze kenmerken zich door vernieuwing, samenwerking en groepsvorming én door buitenlandse contacten met geestverwanten. De Cobra-beweging rond 1950 is er een duidelijk voorbeeld van.

De Nul-groep, in 1960 gevormd door Armando, Henderikse, Peeters en Schoonhoven vindt zijn oorsprong eveneens in contacten met Duitse, Italiaanse en Franse geestverwanten.

De afgelopen 10 jaar hebben wij vaak aandacht besteed aan deze kunstenaars en veel werken door onze handen zien gaan. Dat de belangstelling voor de Nul-beweging een enorme vlucht heeft genomen, ook in de internationale waardering ervoor, zal geen enkele liefhebber of verzamelaar zijn ontgaan….

Inmiddels aanbeland in het tweede decennium van de 21e eeuw ontstaat, terugblikkend op de jaren ’60 en ’70, een steeds beter beeld van die vernieuwende periode. Waar de beginjaren ’60 in Nederland kunsthistorisch voornamelijk in het teken staan van Pop-art en Nul-beweging, vinden deze in het decennium erna een vervolg in het Minimalisme en doet de Concept Art internationaal van zich spreken. Het is opmerkelijk en buitengewoon boeiend te zien hoe ook in deze periode een aantal kunstenaars in Nederland aansluiting vindt bij internationale tendensen. Meer nog, kunstenaars als Ger van Elk, Jan Dibbets en Marinus Boezem spelen, ook internationaal een hoofdrol in wat nu bekend staat als Conceptuele kunst.

Paul van Rosmalen, Amsterdam, november 2011