Jeroen Henneman, door Rudi Fuchs

Jeroen Henneman kijkt om zich heen. Er valt hem wellicht een anekdote op: een sierlijke en heldere figuur die hem voor ogen zweeft die soms een hardnekkig hersenspinsel wordt dat nog dagen hangen blijft. Maar dat rondkijken is allang niet meer onbekommerd vrij. De kunstenaar begint niet steeds, met elk werk, opnieuw. Het kijken volgt een spoor van eerdere ervaringen: het andere werk dat door de jaren heen gemaakt is. Daarom weet hij, ongeveer, welke anekdotes en motieven bruikbaar zijn binnen de manieren van formele manipulatie en techniek waaraan hij gewoon is ze te onderwerpen. Soms ontstaat daaruit een formulering die bevredigend raadselachtig en verrassend is; soms wordt in een volgende variant het motief nieuw geformuleerd. Hoewel een oeuvre in de loop der jaren een veelzijdige openheid zal bereiken, blijkt ook dat de meeste kunstenaars hun motieven vinden in een betrekkelijk klein gebied. Ze blijven in dat gebied omdat ze zich daarin zijn gaan thuis voelen; die intieme vertrouwdheid met onderwerpen en objecten maakt de vormgeving veel subtieler en preciezer.

Het valt mij op dat Henneman, zoals veel Nederlandse kunstenaars, in wezen een ontwerper van stillevens is. In vroeger werk, van het begin, spelen visuele anekdotes weliswaar een bepalende rol; maar in de uiteindelijke formulering is de gebeurtenis steeds tot haar minimale vorm uitgekleed. (Dat gold ook voor de technische uitvoering: in spaarzame tekening, meestal zwart-wit.) Die procedure herinnert aan de typische concentratie van de klassieke stillevenschilder op slechts enkele voorwerpen en een kleine ruimte daaromheen. De gebeurtenis wordt, ontdaan van atmosfeer, in die concentratie stilgelegd en beheerst getekend tot object gemaakt – en voor het kijken zorgvuldig (zonder franje) klaargelegd zoals in een stilleven een paar citroenen. In het geval van Henneman, van huis uit een vertellende realist, was het zijn bewustzijn van de abstracte kunst die hem tot die strakke formulering bracht.

De laatste jaren is Henneman meer gaan schilderen. Hij wilde grotere formaten proberen; om daarmee aan de slag te kunnen moest hij onderwerpen vinden die die formaten konden dragen. Dat werden gezichten op architectuur – het regelmatige patroon van vensters in de façade van een wolkenkrabber of een groepering van wolkenkrabbers waarin de hoekige tussenruimtes een abstract patroon gingen vormen. Al eerder was die thematiek in zijn werk opgedoken. Maar in die eerdere versies werden de gebouwen in relatief vergezicht waargenomen, als ornamentele voorwerpen. In de recente schilderijen wordt de architectuur van dichterbij gezien. Meestal vullen ze het schilderij volledig, als fragment bijna, zodat de façades en de haakse vormen makkelijk als abstract patroon verschijnen. Ze zijn ook strak geschilderd, met de nadruk op contour en ritme en vlakke vorm: ze zijn geschilderd binnen een tekening. De ontdekking van de optische eigenaardigheden die het schilderij in gang zetten is, net als eerder, anekdotisch – maar de anekdote wordt direct verwerkt in het grotere patroon van het schilderij. Net zo, eigenlijk, verloopt dit proces in een tweede groep recente schilderijen waarin geometrische vormen en hun fictieve schaduw het thematisch uitgangspunt zijn.

Het beeld van de stillevenschilder die in een kleine, overzichtelijke beeldruimte enkele voorwerpen heen en weer schuift, past precies op Jeroen Henneman, bezig in zijn atelier. De monumentale tekening, uitgezaagde lijnen in de ruimte, die hij uitvoerde in het kantoor van de Amsterdamse woningbouwvereniging De Dageraad, laat een werkruimte zien van zoiets als een aannemer. Het is althans een gefantaseerde versie daarvan, met kasten en tafels en modellen en instrumenten en ramen met daarin een verre horizon. De techniek van zulk werk, dat Henneman al langer maakt, is verbazend suggestief. Het arrangement van de voorwerpen, het karakter van dat kantoor, is vertrouwd: het doet me denken aan zijn atelier. In dat atelier zie ik hem bezig, doorgaans aan meerdere dingen tegelijkertijd. Henneman is ook een kunstenaar van een precies thematisch repertoire dat bestaat uit eenvoudige voorwerpen: de dingen om hem heen, inclusief de dingen die hij heeft gemaakt. Die vormen de meubilering van zijn fantasie. In het atelier vallen de voorwerpen en hun tekening en hun schaduw en de tussenruimte voortdurend over en door elkaar heen – tot het moment komt van de echte verbeelding. Dan maakt zich uit de veelheid van suggesties een beeld los, een constructie, die dan een scherpe samenvatting is van een procedure van vormgeving – objectief en helder als een stilleven.

De grotere formaten hebben Henneman een nieuw overzicht over zijn eigen werk en werkwijze verschaft. Bij het schilderen, anders dan bij tekenen, doet de schilder af en toe een stap naar achteren om het werk van een afstand te bekijken en te keuren. Door die letterlijke afstand is Hennemans werk de laatste jaren breder van aanpak geworden. Omgeven door al die dingen in zijn atelier en huis, was hij toch in staat de anekdote te omzeilen.

Met dank aan de auteur, overgenomen uit: Rudi Fuchs. Tussen Kunstenaars. Een Romance. Amsterdam: De Bezige Bij, 2002.